Niet-westerse allochtonen worden hard getroffen door de crisis.
In het derde kwartaal van dit jaar was het werkloosheidspercentage onder niet-westerse allochtonen 14,9 procent, tegen 5,1 procent onder autochtonen. Dat blijkt uit een donderdag verschenen rapport van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over integratie. De toename van werkloosheid begon in de afgelopen jaren eerder en steeg harder onder niet-westerse allochtonen dan onder autochtonen.

Dat komt volgens het CBS voor een deel doordat niet-westerse allochtonen minder vaak een vaste baan hebben en werknemers met een tijdelijk contract altijd eerder hun baan verliezen als de economie verslechtert. Door de stagnerende economie nam het aantal niet-westerse allochtonen met een bijstandsuitkering toe. In maart ontvingen 213 duizend niet-westerse allochtonen een bijstandsuitkering, 44 duizend meer dan in maart 2008.

Ook onder autochtonen was in die periode sprake van een stijging, maar die bleef beperkt tot twintigduizend. Ook de tweede generatie niet-westerse allochtonen is kwetsbaar. Zij hebben gemiddeld meer te besteden dan de eerste generatie en zijn veel minder vaak afhankelijk van bijstand, maar ook deze generatie wordt geraakt door de crisis, aldus het CBS.

Het aandeel met een bijstandsuitkering steeg harder dan onder autochtonen en niet-westerse allochtonen van de eerste generatie. Een belangrijke verklaring is dat tweedegeneratieallochtonen vaak jonger zijn en de werkloosheid onder jongeren relatief hoog is. Uit het rapport blijkt verder dat niet-westerse allochtonen die in de Randstad wonen, maar buiten de grootste steden, er beter voor staan dan niet-westerse allochtonen in de rest van Nederland.

Ze hebben vaker werk, hogere inkomens, zijn minder vaak afhankelijk van de bijstand en minder vaak verdachte van een misdrijf.
© Novum 2012